
I : La mer qui manque
Gestrand
als een ark
op brandende aarde
aan boord slechts
schamelte
maar oprecht.
Gebukt
waar het spant was,
nu het gewelf.
En tot absis
werd de kiel.
Enkel de branding
ontbreekt
in dit ijle ruisen
dat stenen tijd klieft.
Een ingehouden lofzang op de ruimte, de stilte en de eenvoud, sereen gevat in steen. Devotie van eeuwen her, gestold tussen hemel en aarde. Religieuze en spirituele bezinning als een vorm van ademen. Kosmisch klein.
II: Tortue
Verholen in de tijd
een schildpad van steen.
Het Woord werd verspreid
martelaars geboren,
relikwieën gesprokkeld
waar men nog wees met het bot.
Gedrongen huist het.
En broedt.
Weinig licht
veilig oord.
Want van hier is de storm
van hier het eerste schreeuwen.
Hier stierf het duister
hier worstelt het licht.
Oogt naar het Oosten
blind naar het Westen.
Gedrongen.
Broeds.